Een goede bocht mountainbiken is van groot belang. Een juiste techniek zorgt voor weinig snelheidverlies en werkt preventief tegen het vallen. Buiten de technische vaardigheden van de mountainbiker zijn er nog een aantal andere faktoren die van belang zijn:

– Profiel van de banden
– De ondergrond
– De snelheid waarmee de bocht wordt genomen
– De druk op de banden
– De scherpte van de bocht

bochten

De interaktie tussen de ondergrond en het profiel van de banden speelt een belangrijke rol met betrekking tot de wrijving. Je kunt daarom ook diverse soorten terreinbanden kopen die geschikt zijn voor een specifiek terrein of ondergrond.Vooral wedstrijdfietsers nemen dit erg serieus. Ondanks dat de mountainbiker het profiel van zijn banden zo goed mogelijk uit kiest, zal er tijdens de meeste parcours een overgang voor doen tussen diverse soorten ondergrond. Deze overgang kan voor verrassende balansverstoringen zorgen. De diverse ondergronden hebben dan ook de volgende kenmerken:

– Asfalt. Bij droog weer veel grip. Geschikt voor smalle banden zonder profiel. Bij regen is een profiel wel noodzakelijk.
– Hout. Bij droog weer heeft hout voldoende grip, maar ‘oowee’ als het gaat regenen (vooral als er algvorming aanwezig is) wordt het spiegelglad. Vooral houten bruggetjes zijn op dat moment gevaarlijke passages.
– Modder. Afhankelijk van de dichtheid van de modder, is het vaak zwaar trappen of slaat de fiets zelfs vast (deze wordt verzadigd door het modder, remmen, etc.).
– Stenen. Stenen zorgen voor een balansverstoring of kunnen zelfs volledig het voorwiel blokkeren. Bij uphill fietsen wil bij nat weer de banden snel wegslippen. Net zoals bij hout kan op steen algvorming voor komen, wat bij nat weer spiegelglad wordt.
– Gravel. Op veel fietspaden vindt je gravel omdat dit ook bij nat weer voldoende grip geeft. Alleen bij valpartijen kan men lelijke verwondingen oplopen (door alle kleine steentjes of schelpjes).
– Water. Het komt zelfs voor dat de fiets in aquaplaning kan raken (bij hogere snelheden). Het profiel van de banden speelt hierbij ook een belangrijke rol. Diepere wateren moet men altijd langzaam nemen vanwege de plotselinge weerstand en de obstakels (stenen en dergelijk) die zich in het troebele water kunnen bevinden.
– sneeuw. Deze ondergrond fietst zwaar en je moet uitkijken in de bochten i.v.m. weinig grip.

Het is duidelijk dat je vaak de snelheid moet corrigeren bij een bocht. De mountainbiker onderneemt dan vaak ook de volgende stappen:

– Hij maakt een inschatting van de bocht (scherpte, afstand).
– Hij schakelt terug.
– Hij corrigeert zijn snelheid d.m.v. de remmen (pompend en niet meer trappen).
– Hij zet de bocht in (gaat in de bocht hangen, trappers op gelijke hoogte).
– Hij begint halverwege de bocht weer trappen.
– Hij schakelt naar de gewenste versnelling

Als je de bocht niet vertrouwt of je moet heel diep in de bocht hangen, dan kun je het binnenste been (in de bocht) van de trapper halen en als steun laten fungeren. Hierdoor zal de buitenste trapper op de laagste stand komen te staan. Dit kan complicaties opleveren na de bocht (obstakels zoals stenen en dergelijk). Bij een scherpe bocht kun je kiezen om de bocht scherp (rechts) of minder scherp te pakken. Bij de minder scherpe inzet van de bocht, moet je de bocht ruim nemen, dan kun je ook relatief de snelheid hoog houden. Bij een scherpen bocht zal de snelheid afgeremd moeten worden, waarna de atb’er weer kan accelereren (juist schakelen en remtechniek is hierbij erg belangrijk).